De norm NEN 3140 vormt in Nederland de belangrijkste richtlijn voor een veilige bedrijfsvoering van elektrische installaties en elektrische arbeidsmiddelen. De norm is vernieuwd om beter aan te sluiten op de huidige techniek, de praktijk en de verplichtingen uit de Arbowet. Daarbij zijn niet alleen tekstuele verbeteringen doorgevoerd, maar zijn ook verantwoordelijkheden van installatieverantwoordelijken, werkverantwoordelijken en werkgevers verder verduidelijkt. De vernieuwde norm legt meer nadruk op aantoonbare veiligheid, risicobeheersing en het creëren van veilige omstandigheden voor onderhoud, inspectie en werkzaamheden aan elektrische installaties.
De vernieuwde NEN 3140 sluit beter aan op:
Veel bepalingen zijn verduidelijkt, beter gestructureerd en logischer opgebouwd. Daarnaast is de norm sterker gekoppeld aan de verplichtingen uit de Arbeidsomstandighedenwet.
Een van de belangrijkste wijzigingen betreft de rol van de installatieverantwoordelijke (IV).
Volgens de vernieuwde norm moet:
Elke elektrische installatie én ieder elektrisch arbeidsmiddel onder verantwoordelijkheid van een installatieverantwoordelijke vallen.
De installatieverantwoordelijke is verantwoordelijk voor het veilig beheer van elektrische installaties binnen de organisatie.
Nieuw is dat een installatieverantwoordelijke onderdelen van zijn verantwoordelijkheden mag delegeren.
Dit komt vooral voor binnen grotere organisaties met:
Voorbeelden hiervan zijn:
Wel moeten bevoegdheden, verantwoordelijkheden en taakverdelingen duidelijk schriftelijk zijn vastgelegd.
De vernieuwde norm legt extra verantwoordelijkheden bij de IV neer.
De installatieverantwoordelijke moet onder andere beoordelen:
Wanneer het gebruik van een gebouw of installatie verandert moet worden beoordeeld of de installatie nog veilig is.
Inspectieresultaten moeten worden beoordeeld op mogelijke gevolgen voor:
De IV moet beoordelen of de installatie zodanig is ingericht dat werkzaamheden veilig spanningsloos kunnen worden uitgevoerd.
Een belangrijke ontwikkeling is dat organisaties niet meer uitsluitend mogen vertrouwen op het zogenaamde:
"Rechtens verkregen niveau".
Dat betekent dat een installatie niet alleen veilig moet zijn volgens de eisen die golden tijdens de bouw, maar ook moet worden beoordeeld volgens de huidige veiligheidsinzichten.
Hierdoor ontstaat een grotere verantwoordelijkheid voor gebouweigenaren en werkgevers om installaties actief te blijven verbeteren.
De norm benadrukt dat elektrische installaties zo moeten zijn ontworpen en ingericht dat:
Wanneer werkzaamheden niet spanningsloos kunnen worden uitgevoerd, kan dit wijzen op een tekortkoming in:
Veilig spanningsloos werken blijft het uitgangspunt.
In veel organisaties is geen installatieverantwoordelijke formeel aangewezen.
De vernieuwde norm geeft hier duidelijkheid over.
Wanneer geen IV is benoemd:
Wordt de opdrachtgever of werkgever automatisch als installatieverantwoordelijke beschouwd.
Dit betekent dat ook zonder formele aanwijzing de verantwoordelijkheid blijft bestaan.
De vernieuwde norm beschrijft dat werkzaamheden onder verantwoordelijkheid van één natuurlijke persoon moeten plaatsvinden:
De werkverantwoordelijke (WV).
Deze persoon is verantwoordelijk voor:
Ook de WV-rol kan binnen grotere organisaties worden opgesplitst in beleidsmatige en operationele verantwoordelijkheden.
De norm besteedt meer aandacht aan de juiste selectie van persoonlijke beschermingsmiddelen.
Belangrijk hierbij is dat PBM's geschikt moeten zijn voor het specifieke risico waarvoor zij worden ingezet.
Veel standaard gelaatsschermen bieden uitsluitend bescherming tegen:
Zij beschermen niet automatisch tegen:
Voor bescherming tegen vlamboogrisico's zijn speciale PBM's vereist die voldoen aan specifieke normen.
De vernieuwde norm introduceert extra aandacht voor:
Werkgevers moeten deze risico's expliciet meenemen in hun veiligheidsbeleid en RI&E.
Bij inspecties moet niet alleen worden gekeken naar de technische staat van de installatie.
Ook moet worden beoordeeld of:
De installatieverantwoordelijke moet bovendien bepalen op welk veiligheidsniveau de installatie wordt beoordeeld.
Tijdens een visuele inspectie wordt nu ook beoordeeld of de installatie nog past bij:
Een installatie die technisch nog functioneert kan alsnog onveilig zijn wanneer het gebruik van een gebouw is veranderd.
Een praktische wijziging betreft de controle van aardlekbeveiligingen.
Voorheen moest zowel:
worden gemeten.
Nu wordt het meten van de aanspreektijd als voldoende beschouwd, aangevuld met een controle van de testknop.
De norm benadrukt dat elektrische arbeidsmiddelen veel breder zijn dan alleen apparaten met een stekker.
Voorbeelden zijn:
Ook deze vallen onder de inspectieverplichtingen van NEN 3140.
Inspecties moeten aantoonbaar zijn uitgevoerd.
Dit kan bijvoorbeeld door:
Hiermee kan worden aangetoond wanneer een arbeidsmiddel voor het laatst is gecontroleerd en wanneer de volgende inspectie moet plaatsvinden.
Tijdens inspecties moet ook worden beoordeeld of een arbeidsmiddel geschikt is voor de omgeving waarin het wordt gebruikt.
Voorbeelden:
Een keuringssticker betekent dus niet automatisch dat een arbeidsmiddel overal veilig kan worden toegepast.
De vernieuwde NEN 3140 vraagt van organisaties meer aandacht voor:
Voor veel organisaties betekent dit dat bestaande procedures, aanwijzingen en inspectieprogramma's opnieuw moeten worden beoordeeld.
Via Certus ondersteunt organisaties bij:
Wij helpen organisaties om aantoonbaar te voldoen aan de actuele eisen van NEN 3140 en de Arbowet.
De vernieuwde NEN 3140 legt de nadruk op aantoonbare veiligheid, actuele risicobeoordeling en duidelijke verantwoordelijkheden. Organisaties die hun elektrische installaties en arbeidsmiddelen actief beheren, verkleinen niet alleen de kans op ongevallen, maar voldoen ook beter aan hun wettelijke zorgplicht.
Elektrische veiligheid is geen momentopname, maar een continu proces van beoordelen, beheren en verbeteren.